Wat is Jihaad?

22-11-2013 door

Is het een islamitische heilige oorlog waarin moslims joden en christenen vermoorden?

Dit is het beeld dat de westerse wereld heeft gecreëerd over de Jihaad. In dit artikel wordt verder ingegaan op de werkelijke betekenis van Jihaad. Een vertaling van de uitleg door Dr. Amir Ali (moge Allah hem genadig wezen) hiervan volgt hieronder.

Taalkundig gezien is de letterlijke betekenis van het woord Jihaad ‘het streven naar’ of ‘het worstelen met’ en geldt voor elke inspanning die verricht wordt. Vanuit dit perspectief betreft het bijvoorbeeld de student die worstelt en/of ernaar streeft om een opleiding te volgen; een medewerker die ernaar streeft om diens functie goed uit te voeren en een goede werkrelatie met zijn werkgever te onderhouden; een politicus die ernaar streeft zijn populariteit te behouden of te vergroten onder de kiezers.[1] De termen ‘streven’ en ‘worstelen’ worden gebruikt voor en door zowel moslims als niet-moslims. Allah, de Ene en Enige Ware God, zegt in de Qoer-aan:

“En Wij hebben de mens geboden zijn ouders goed te doen; en indien zij trachten u er toe te brengen dat gij iets met Mij vereenzelvigt waarvan gij geen kennis hebt, gehoorzaam hen dan niet…”[2]

Deze verzen spreken over niet-islamitische ouders die streven (Jaahadaaka) om hun islamitische kind te bekeren tot hun geloof.

In het Westen wordt de term ‘Jihaad’ over het algemeen vertaald als ‘heilige oorlog’. Deze vertaling is voornamelijk door de media geïntroduceerd. Dit terwijl het volgens de islamitische leer juist verboden is om te pleiten voor een oorlog of er een te beginnen tenzij deze onvermijdelijk of rechtvaardig is. De term ‘heilige oorlog’ heeft in het Arabisch een andere vertaling, namelijk ‘Harboen Moeqaddastoen’ of ‘Al-Harboe Al-Moeqadassatoe’. Elke onderzoeker of wetenschapper zal noch in de Qoer-aan noch in de authentieke hadiethverzamelingen terug kunnen vinden dat ‘Jihaad’ vertaald wordt als een heilige oorlog. Helaas zijn er ook islamitische schrijvers en vertalers die beïnvloed zijn door de eeuwenoude westerse propaganda en dus ‘Jihaad’ vertalen als ‘heilige oorlog’. Dit zou te maken kunnen hebben met de christelijke term van heilige oorlog waarbij verwezen wordt naar de kruistochten die hebben plaatsgevonden. In het Arabisch zijn het de woorden ‘Harb’ of ‘Qitaal’ die gebruikt worden voor ‘oorlog’ zowel in de Qoer-aan als in de hadieth.

Voor moslims is de term ‘Jihaad’ van toepassing op verschillende typen van inspanning en heeft door de tijd heen een aantal betekenissen gekregen. De oorsprong van deze ontwikkeling in betekenissen ligt in de Qoer-aan (het woord van Allah geopenbaard aan de profeet Mohammed). In de Qoer-aan en de hadieth wordt de term ‘Jihaad’ in verschillende contexten gebruikt. We zullen de betekenissen benoemen:

 

1.       Het erkennen van de Schepper en Hem het meest liefhebben

Het ligt in de menselijke aard om meer te houden van datgene wat wordt gezien met de ogen of waargenomen met de andere zintuigen dan van datgene wat niet zichtbaar is. De Schepper van het universum en de Ene God is Allah. Hij is de Onzichtbare Realiteit waarbij we de neiging hebben om deze te negeren en niet te herkennen. De Qoer-aan spreekt in het volgende vers degenen aan die beweren gelovig te zijn:

“O gij, die gelooft, neemt uw vaders en uw broeders niet tot vrienden als zij ongeloof boven geloof verkiezen. En wie onder u met hen bevriend is behoort tot de overtreders.  Zeg: “Indien uw vaders en uw zonen en uw broeders en uw vrouwen en uw verwanten en de rijkdommen die gij verkregen hebt en de handel waarvan gij vermindering vreest en de woningen waarvan gij houdt, u liever zijn, dan Allah en Zijn boodschapper en het streven voor Zijn zaak, wacht dan, tot Allah met Zijn oordeel komt; Allah leidt het ongehoorzame volk niet.”[3]

 

Het is inderdaad nogal een strijd om Allah voorop te stellen t.o.v. onze geliefden, rijkdom, wereldse ambities en ons eigen leven. Zeker voor een niet-moslim die zich tot de islam bekeert kan het nogal een strijd zijn. Dit omdat hij stand zal moeten houden tegen het verzet van zijn familie, vrienden en de samenleving.

 

2.       Verzet tegen de druk van ouders, vrienden en de maatschappij

Zodra iemand besluit om de Schepper van het Universum boven alles te zetten, komt hij vaak onder hevige druk te staan. Dergelijke druk weerstaan is niet eenvoudig. Dit geldt ook voor de inspanning die men levert voor diens toewijding aan en liefde voor Allah. Iemand die zich tot de Islam bekeert, kan zelfs onder druk worden gezet om zich juist van de Islam af te keren. Het volgende vers is hierop van toepassing:

“Dus volg de ongelovigen niet, en voer met (de Qoer-aan) een grote strijd tegen hen.”[4]

 

3.       Standvastig op het juiste pad blijven

Allah zegt het volgende hierover in de Qoer-aan:

“En strijdt voor de zaak van Allah zoals ervoor behoort te worden gestreden. Hij heeft u verkozen en heeft u in de godsdienst geen lasten opgelegd – dit is het geloof van uw vader Abraham. Hij heeft u Moslims genoemd voorheen en in dit Boek, opdat Onze boodschapper getuige over u zij, en dat gij getuige moogt zijn over de mensheid. Onderhoudt het gebed, betaalt de Zakaat en houdt u aan Allah vast. Hij is uw Beschermer. Een uitmuntend Meester en een uitnemend Helper.”[5]

“En wie streeft, streeft slechts voor zichzelf; want Allah is Onafhankelijk van alle werelden.”[6]

Voor wat betreft degenen die ernaar streven als ware moslims door het leven te gaan en voor wie dit bemoeilijkt wordt vanwege vervolging door hun tegenstanders, wordt aangeraden om te migreren naar een meer vreedzame en toleranter land. Daar waar ze hun inspanning voor de zaak van Allah kunnen voortzetten. Allah zegt hierover in de Qoer-aan:

“Voorwaar de engelen zullen tot hen die ze doen sterven, terwijl dezen hun eigen ziel onrecht aandoen, zeggen: “In welke toestand waart gij?” Zij zullen antwoorden: “Wij waren in het land machteloos.” Zij (de engelen) zullen echter zeggen: “Was Allah’s aarde u niet groot genoeg om daarop te verhuizen?” Zij zijn het, wier tehuis de hel zal zijn en dat is een kwade bestemming.”[7]

“Zij, die geloven en zij die voor de zaak van Allah hun land verlaten en er voor ijveren, zijn het, die Allah’s barmhartigheid verwachten en Allah is Vergevensgezind, Genadevol.”[8]

Allah test de gelovigen in hun geloof en standvastigheid:

“Denkt gij, dat gij het paradijs moogt binnengaan, terwijl Allah degenen uwer die strijden en standvastig zijn nog niet heeft onderscheiden?”[9]

“En Wij zullen u beproeven met iets van vrees, honger, verlies van bezittingen, levens en vruchten; maar verkondig blijde tijdingen aan de geduldigen.”[10]

De profeet Mohammed en zijn stam werden gedurende drie jaar zowel in sociaal als economisch opzicht uitgesloten. Op deze manier probeerden de heidenen hem te dwingen te stoppen met het verkondigen van het Woord van Allah en probeerden ze compromissen met hem te sluiten. Hij weigerde dit en realiseerde een morele overwinning.[11]

 

4.       Streven naar het verrichten van goede daden

Allah geeft het volgende aan in de Qoer-aan:

“En zij, die naar Ons streven, – Wij zullen hen zeker op Onze wegen leiden. Voorwaar, Allah is met hen die goed doen. “[12]

Wanneer we worden geconfronteerd met twee tegenstrijdige belangen vergt het inspanning (Jihaad) om te kiezen voor het juiste. De volgende hadieth vertelt hierover:

‘Aa-iesha, de vrouw van de profeet vroeg: “O Boodschapper van Allah, de Jihaad wordt beschouwd als de beste daad, moeten wij daar dan niet aan meedoen?” Hij antwoordde: “Maar de beste Jihaad is een perfecte hadj (bedevaart naar Mekka}.”[13]

Een andere hadieth vertelt over een man die aan de profeet Mohammed het volgende vroeg:

“Moet ik meedoen met de Jihaad?” Hij vroeg: “Heb je ouders?” De man antwoordde bevestigend.  De profeet zei tegen hem: “Dan verricht jij Jihaad door hen te dienen!”[14]

Een andere man vroeg aan de boodschapper van Allah:

“Wat voor soort Jihaad is beter?” Hij antwoordde: “Een woord van waarheid tegen een onderdrukkende heerser!”[15]

De boodschapper van Allah zei: … de Moejaahid is hij, die een innerlijke strijd levert omwille van Allah, en de Moehaadjir is hij die zich afkeert van slechte daden en zondes.” [16]

 

5.       Het hebben van moed en standvastigheid om de boodschap van de Islam over te brengen

In de Qoer-aan zijn er ervaringen terug te lezen van een groot aantal profeten en goede mensen die veel voor hun kiezen kregen bij het verkondigen van het Woord van Allah. Voor voorbeelden verwijzen wij u naar Qoer-aan 26:1-190; 36:13-32. Allah prijst in de Qoer-aan met name degenen die zich inspannen om Zijn boodschap over te brengen:

“En wie spreekt beter woord dan hij die mensen tot Allah uitnodigt en goede werken doet en zegt: “Waarlijk, ik behoor tot de Moslims.”[17]

Het vergt nogal moed om onder zware omstandigheden moslim te blijven, hiervoor uit te komen en anderen uit te nodigen tot de Islam. In de Qoer-aan staat hier het volgende over:

“De ware gelovigen zijn slechts degenen, die in Allah en Zijn boodschapper geloven en daarna niet twijfelen, doch met hun bezittingen en persoon voor de zaak van Allah strijden. Zij zijn de waarachtigen.”[18]

 

6.       Opkomen voor de Islam en de islamitische gemeenschap

Allah swt vertelt ons in de Qoer-aan:

“Toestemming om te vechten is gegeven aan degenen tegen wie gevochten wordt, omdat hun onrecht is aangedaan, voorzeker Allah heeft de macht hen bij te staan. Degenen die ten onrechte uit hun huizen werden verdreven alleen omdat zij zeiden: “Onze Heer is Allah…”[19]

De Qoer-aan staat het toe om te vechten ter verdediging van de Islam en de moslims. Dit betreft het  vechten ter zelfverdediging en voor de bescherming van de familie en de eigendommen. De vroege moslims leverden vele veldslagen tegen hun vijanden onder leiding van de profeet Mohammed  en zijn vertegenwoordigers. Toen bijvoorbeeld de heidenen van de Qoeraish een leger optrommelden tegen de profeet Mohammed vochten de moslims om hun geloof en hun gemeenschap te verdedigen.[20] De Qoer-aan voegt hieraan toe:

“En strijdt voor de zaak van Allah tegen degenen, die tegen u strijden, maar overschrijdt de grens niet. Voorzeker, Allah heeft de overtreders niet lief. En bestrijdt hen, totdat er geen vervolging meer is en de godsdienst alleen voor Allah wordt. Maar indien zij (met strijden) ophouden, dan is er geen vijandelijkheid meer toegestaan, behalve tegen de onrechtvaardigen.”[21]

 

7.       Het helpen van bondgenoten die geen moslim zijn

In een latere periode van het leven van de profeet Mohammed behoorde de stam van de Banoe Khoezaa’ah tot zijn bondgenoot. Zij leefden in de buurt van Mekka onder het bewind van de heidense Qoeraish, de stam waartoe de profeet behoorde. De stam van de Banoe Bakr, die weer een bondgenoot waren van de Qoeraish, vielen op een gegeven moment de Banoe Khoezaa’ah aan. Zij deden een beroep op het verdrag dat ze gesloten hadden met de profeet en vroegen hem om hulp. Hij beantwoordde dit verzoek en stuurde een delegatie naar de Qoeraish. Deze actie resulteerde in de verovering van Mekka, zonder dat er een veldslag werd geleverd.[22]

 

8.       Verdrijven van degenen die ontrouw zijn

Allah wijst de moslims in de Qoer-aan het volgende aan:

“En als gij ontrouw van een volk vreest verstoot hen dan op gelijke wijze. Voorzeker, Allah heeft de ongelovigen niet lief.”[23]

De profeet Mohammed ondernam een aantal gewapende acties om verraders uit hun macht en hun verblijven te ontheffen. Hij sloot overeenkomsten met verschillende joodse stammen. Echter, sommigen van deze stammen bleken hem ontrouw te zijn. De profeet antwoordde deze daad van ontrouw met een gewapende actie en verbande ze uit Medina en omstreken nadat hij ze verslagen had.[24]

 

9.       Verdedigen door middel van preventieve maatregelen

Het is niet makkelijk mensen te mobiliseren om te vechten wanneer zij geen indringers waarnemen binnen hun gebied. Echter, leiders die verantwoordelijk zijn, dienen gevaar van tevoren in te zien en hiernaar te handelen. De boodschapper van Allah was verantwoordelijk voor de bescherming van zijn gemeenschap en de godsdienst die hij in Arabië vestigde. Wanneer hij inlichtingen kreeg over vijanden die zich in de buurt verzamelden, organiseerde hij preventieve aanvallen, brak hun macht en verdreef hen.[25] Allah gebood de moslims in de Qoer-aan het volgende:

“Vechten is u geboden ofschoon gij er afkerig van zijt; maar het kan zijn, dat gij tegenzin hebt in iets terwijl het goed voor u is en het kan zijn, dat u iets behaagt terwijl het slecht voor u is. Allah weet het en gij weet het niet.”[26]

 

10.   Het belang van de vrijheid om te informeren en kennis over te brengen over de leer van de Islam en volgens deze leer op te voeden in een tolerante en vrije maatschappij

Allah vertelt ons het volgende in de Qoer-aan:

“Zij vragen u omtrent het vechten in de heilige maand. Zeg: “Het vechten hierin is een grote overtreding, maar de mensen van de weg van Allah af te houden en Hem ondankbaar te zijn en (de toegang tot) de Heilige Moskee (te verhinderen) en haar mensen er van te verdrijven, is bij Allah een grotere zonde; en vervolging is erger dan doden.” En zij zullen niet ophouden, u te bevechten, totdat zij u van uw geloof hebben afgebracht, als zij kunnen. Maar wie onder u zich van zijn geloof afkeert en sterft als een ongelovige – diens werken zullen tevergeefs zijn in deze wereld en in de toekomende. Zulken zijn de bewoners van het Vuur en zij zullen daarin verblijven.”[27]

“En voor degenen die, als een aanval hen treft, zich verdedigen.”[28]

Om deze vrijheid te verkrijgen, zei de profeet Mohammed:

“Strijd (JAAHIDOE) tegen de ongelovigen met je handen en tongen.”[29]

De profeet Mohammed moest gedurende zijn leven veel strijden voor vrijheid en om de boodschap van de Islam te verkondigen. Tijdens zijn verblijf in Mekka streed hij zonder wapens te gebruiken. Na de oprichting van zijn regering in Medina leverde hij, wanneer hij niet anders kon en met de toestemming van Allah, gewapende strijd tegen zijn vijanden.

 

11.   Mensen bevrijden van onderdrukking

Allah de Verhevene wijst moslims in de Qoer-aan op het volgende:

“En waarom strijdt gij niet voor de zaak van Allah en voor de zwakken — mannen, vrouwen en kinderen – die zeggen: “Onze Heer, neem ons uit deze stad waarvan de bewoners onderdrukkers zijn en schenk ons een vriend en een helper uwerzijds.”[30]

Het doel van de profeet Mohammed was om mensen te bevrijden van onderdrukking en uitbuiting. Wanneer zij eenmaal vrij waren, waren zij vrij om te kiezen voor de Islam of niet. De opvolgers van de profeet handelden op deze manier voort en schoten onderdrukten dus te hulp. Een voorbeeld hiervan is de bevrijding van Spanje van haar tirannieke heersers nadat de bevolking de moslims om hulp vroeg. Een ander voorbeeld betreft de verovering van Syrië en Irak door de moslims. De christelijke bevolking van Homs zei het volgende tegen de moslims:

We verkiezen uw wetten en rechten boven die van de onderdrukking en tirannie waaronder wij hebben geleefd.”[31]

De verslagen heersers van Syrië waren Romeinse christenen en Irak werd geregeerd door zoroastrische Perzen.

 

Wat behoren moslims te doen wanneer ze een overwinning hebben behaald?

Moslims zijn verplicht om te strijden tegen tirannie, verraad, fanatisme en onwetendheid en te strijden voor rechtvaardigheid en gelijkheid. Men moet streven naar waarheidsgetrouwe kennis en mensen bevrijden van de ketenen van polytheïsme (shirk of veelgodenaanbidding), vooroordelen, bijgeloof en mythologie. Moslims behoren te strijden tegen immoraliteit, angst, criminaliteit en uitbuiting en dezen te vervangen door goddelijke moraal, vrede en onderwijs. De Qoer-aan verklaart:

“Voorwaar, Allah gebiedt u het u toevertrouwde over te geven aan hen die er recht op hebben en dat, wanneer gij tussen mensen richt, gij rechtvaardig handelt. En waarlijk, voortreffelijk is datgene, waartoe Allah u maant. Voorzeker, Allah is de Alhorende, de Alziende.”[32]

“O, gij die gelooft, weest oprecht voor Allah en getuigt met rechtvaardigheid. En laat de vijandschap van een volk u niet aansporen, om onrechtvaardig te handelen. Weest rechtvaardig, dat is dichter bij de vroomheid en vreest Allah, voorzeker, Allah is op de hoogte van hetgeen gij doet.”[33]

“En er is onder hen die Wij hebben geschapen een volk, dat de mensen met waarheid leidt en rechtvaardig oordeelt.”[34]

“Voorwaar, Allah gelast u goed met goed (te vergelden) en wel te doen aan anderen en te geven als aan verwanten; en verbiedt onbetamelijkheid, kwaad en opstand. Hij raadt u aan dat gij er lering uit trekt.”[35]

“Degenen die, indien Wij hen op aarde vestigen, het gebed verrichten en de Zakaat betalen en het goede bevelen en het kwade verbieden. En het eindbesluit in alles berust bij Allah.”[36]

 

 

Is de Islam verspreid door druk, zwaarden of wapens?

Het enige en nadrukkelijke antwoord hierop is: NEE! In de Qoer-aan wordt het volgende aangegeven:

“Er is geen dwang in de godsdienst. Voorzeker, het juiste pad is van dwaling onderscheiden; derhalve, hij die de duivel verloochent en in Allah gelooft, heeft een sterk houvast gegrepen, dat onbreekbaar is. Allah is Alhorend, Alwetend.”[37]

De christelijke missionars TW Arnold concludeert op basis van zijn studie naar de verspreiding van de Islam het volgende:

“… van een georganiseerde poging om de acceptatie van de islam te forceren op de niet-islamitische bevolking of van een systematische vervolging, bedoeld om de christelijke religie uit te roeien, kunnen we niet spreken. Als de kaliefen ervoor hadden gekozen om met actie of geweld ander gedrag te realiseren, zouden ze het christendom net zo makkelijk hebben weggevaagd zoals Ferdinand en Isabella dit hebben gedaan met de Islam uit Spanje. Of zoals Lodewijk XIV het protestantisme strafbaar stelde in Frankrijk, of zoals de Joden gedurende 350 jaar uit Engeland werden gehouden. Oosterse Kerken in Azië werden met rust gelaten. Niemand die ze bestempelden als ketterse gemeenschappen en er tegen streed. Het voortbestaan van deze kerken tot op de dag van vandaag is een sterk bewijs van de in het algemeen tolerante houding van de Mohammedaanse (islamitsche) [sic] overheden jegens hen.”[38]

 

De Islam leert ons niet en noch verlangen moslims ernaar om anderen te bekeren door angst, hebzucht, huwelijk of andere middelen die gebruikt worden om anderen onder dwang te bekeren.

 

Tot slot kunnen we dan ook concluderen dat de term ‘Jihaad’ in de islam betrekking heeft op de inspanning die men levert op de weg van Allah door gebruik te maken van: de pen, de tong, de hand, de media en indien onvermijdelijk, met wapens. Jihaad in de islam is niet bedoeld om te streven naar individuele of nationale macht, dominantie, glorie, rijkdom, prestige of trots.



[1] Omwille van de leesbaarheid is de tekst opgesteld in de mannelijke vorm. Dit wil echter niet zeggen dat vrouwen hierin achterwege zijn gehouden.

[2] Qoer-aan 29:8, zie ook 31:15

[3] De Qoer-aan 9:23-24.

[4] Qoer-aan 25:52.

[5] Qoer-aan 22:78.

[6] Qoer-aan 29:6.

[7] Qoer-aan 4:97.

[8] Qoer-aan 2:218.

[9] Qoer-aan 3:142.

[10]Qoer-aan 2:155.

[11] Haykal, M. H., THE LIFE OF MUHAMMAD, Tr. Isma’il R. Faruqi, American Trust Publications, 1976, p. 132.

[12] Qoer-aan 29:69.

[13] Sahieh Boekhaarie nr. 2784.

[14] Sahieh Boekhaarie nr. 5972.

[15] Soenan Al-Nasaa’ie nr. 4209.

[16] Sahieh Ibn Hibbaan nr. 4862.

[17] Qoer-aan 41:33.

[18] Qoer-aan 49: 15.

[19] Qoer-aan 22: 39-40.

[20] Haykal, pp. 216, 242, 299 en 414 voor the slagvelden Badr, Uhud, Al-Khandaq en Hunayn, respectievelijk.

[21] Qoer-aan 2:190, 193.

[22] Haykal, p. 395 voor de verovering van Mekka.

[23] Qoer-aan 8:58.

[24] Haykal, pp. 245, 277, 311 en 326 voor veldtochten tegen the stammen van Banoe Qaynuqa’, Banu Al-Nadir, Banu Quraydhah and Banu Lihyan, respectievelijk. Zie ook p. 283 voor de slag van Dhat Al-Riqa’.

[25] Haykal, pp. 284, 327, 366, 387, 393, 443 en 515 voor de slagvelden van Dawmat Al-Jandal, Banu Al-Mustaliq, Khaybar, Mu’tah, Dhat Al-Salasil, Tabuk en de veldtocht van Usamah Ibn Zaid, respectievelijk.

[26] Qoer-aan 2:216.

[27] Qoer-aan 2:217.

[28] Qoer-aan 42:39.

[29] Sahieh Ibn Hibbaan # 4708.

[30] Qoer-aan 4:75.

[31] Hitti, Philip K., HISTORY OF THE ARABS, St. Martin’s Press, New York, 1970, p. 153.

[32] Qoer-aan 4:58.

[33] Qoer-aan 5:8.

[34] Qoer-aan 7:181.

[35] Qoer-aan 16:90.

[36] Qoer-aan 22:41.

[37] Qoer-aan 2:256.

[38] Arnold, Sir Thomas W. THE PREACHING OF ISLAM, A HISTORY OF THE PROPAGATION OF THE MUSLIM FAITH, Westminister A. Constable & Co., London, 1896, p. 80.

Gerelateerd

Delen met