Het verhaal van Adam (deel 2)

9-12-2012 door

Adam opende zijn ogen en keek recht in het mooie gezicht van een vrouw die naar hem keek. Adam was verrast en vroeg de vrouw waarom zij geschapen was. Ze vertelde dat zij er was om zijn eenzaamheid te verzachten en om hem rust te brengen. De engelen ondervroegen Adam. Ze wisten dat Adam kennis bezat over dingen waar zij niets van wisten en dat hij beschikte over de kennis die de mensheid nodig zou hebben om de aarde te bewonen. Ze zeiden: ‘Wie is dit?’ Adam antwoordde: ‘Dit is Eva.’

In het Arabisch staat Eva bekend als Hawwaa, wat afstamt van het word hay, wat leven betekent. Eva is ook een Engelse/Nederlandse variant van het oude Hebreeuwse woord Havva, wat eveneens is afgeleid van het woord hay. Adam vertelde de engelen dat Eva zo heet omdat zij geschapen is uit een deel van hem en dat hij, Adam, een levend wezen is.

Ook in het Jodendom en het Christendom gelooft men dat Eva geschapen is uit een rib van Adam, hoewel in een letterlijke vertaling  van de Joodse overlevering naar de rib ook wel verwezen wordt als zijde.

“O mens, vreest jullie Heer Die jullie schiep uit één enkele ziel (Adam) en Die daaruit zijn echtgenote (Eva) schiep en uit hen beiden vele mannen en vrouwen deed voortkomen.” (Qoer-aan 4:1)

Uit de overleveringen van de profeet Mohammed blijkt dat Eva was geschapen uit de kortste linkerrib van Adam terwijl hij sliep en dat zij na enige tijd met vlees bekleed werd. De profeet Mohammed gebruikte het verhaal van Eva’s schepping uit de rib van Adam als basis om mensen te verzoeken zacht en vriendelijk tegen hun vrouwen te zijn. Hij zei: “O moslims! Behandel vrouwen vriendelijk, want vrouwen zijn uit een rib geschapen, en het meest gebogen gedeelte is het bovenstuk. Als je probeert haar recht te maken breek je het en als je het zo laat, blijft die gebogen. Behandel vrouwen dus vriendelijk.” (Sahih al-Boekhaarie)

Het verblijf in het paradijs

Adam en Eva leefden in rust in het paradijs. Hier is eveneens overeenstemming over in de Islamitische, Christelijke en Joodse overleveringen. De Islam laat ons weten dat het hele paradijs van hun was om erin te genieten en God zei tegen Adam: ‘…eet daaruit overvloedig, zoals jullie willen…’ (Qoer-aan 2:35). In de Qoer-aan staat niet de exacte locatie van dit paradijs genoemd. Qoer-aan-exegesen zijn het er echter over eens dat het zich niet op de aarde bevond en dat het kennen van de locatie van geen enkel nut is voor de mens. Het nut ligt in het begrijpen van de lessen die te trekken zijn uit de gebeurtenissen die zich daar hebben voorgedaan.

God vervolgde zijn instructies aan Adam en Eva en waarschuwde hen met de volgende woorden: ‘…nadert deze boom niet, anders zullen jullie tot de onrechtplegers behoren.’ (Qoer-aan 2:35). De Qoer-aan noemt niet wat voor boom het was; er zijn daar geen details over beschikbaar en het zoeken naar zulke kennis heeft eveneens geen enkel nut. Wat hieruit begrepen kan worden is dat Adam en Eva een rustig bestaan leden en begrepen dat het hen verboden was om van de boom te eten. Satan wachtte echter zijn kans schoon om gebruik te maken van de zwakte van de mens.

Wie is Satan?

Satan is een schepsel uit de wereld van de djinn. De djinn zijn door God geschapen uit vuur. Ze zijn anders dan zowel de engelen als de mensen; echter beschikken zij, net als de mens, over verstand en kunnen zij kiezen tussen goed en slecht. De djinn bestonden al voor de schepping van Adam[1] en Satan was het meest rechtschapen onder hen, zelfs zodanig dat hij werd verheven tot een positie tussen de engelen.

“Toen knielden de engelen allen gezamenlijk. Behalve Iblis, hij weigerde te behoren tot de knielenden. Hij (God) zei: ‘O Iblis, wat is er met jou dat jij niet tot de knielenden behoort?’ Hij (Iblis) zei: ‘Ik zal niet knielen voor een mens die U uit droge, klinkende klei hebt geschapen, uit leem gemaakt.’ Hij (God) zei: ‘Ga eruit (het paradijs), voorwaar, jij bent een vervloekte. En voorwaar, de vervloeking rust op jou tot aan de Dag des Oordeels.’” (Qoer-aan 15:30-35)

De rol van Satan

Satan bevond zich in het paradijs van Adam en Eva en hij had een eed gezworen dat hij hun nakomelingen zou misleiden en bedriegen. Satan zei: ‘…ik zal hen belemmeren op Uw rechte pad. Daarna zal ik zeker tot hen komen, van voor hen en van achter hen en van hun rechterzijde en van hun linkerzijde…’ (Qoer-aan 7:16-17). Satan is hoogmoedig en achtte zichzelf beter dan Adam en zodoende de gehele mensheid. Hij is listig en sluw, maar snapt tenslotte de zwakte van de mens; hij herkent hun verlangens en lusten.[2]

Satan vertelde Adam en Eva niet op directe wijze om van de boom te eten of om God ongehoorzaam te zijn. Hij fluisterde hun hart in en plantte verontrustende gedachtes en verlangens. Satan zei tegen Adam en Eva: “…Jullie Heer houdt jullie slechts van deze boom af omdat jullie anders engelen worden of dat jullie tot de eeuwiglevenden zullen behoren.” (Qoer-aan 7:20). Hun gedachten gingen steeds naar de boom en op een dag besloten ze om er van te eten. Adam en Eva gedroegen zich zoals alle mensen doen; ze werden in beslag genomen door hun eigen gedachtes en de influisteringen van Satan en vergaten de waarschuwing van God.

Het is op dit punt dat de Joodse en Christelijke overleveringen sterk verschillen met die van de Islam. God wijst er op geen enkele manier op – noch in de Quran, noch in de overleveringen van de profeet Mohammed – dat Satan in de vorm van een slang tot Adam en Eva was gekomen.

De Islam wijst er daarnaast op geen enkele wijze op dat Eva de zwakste van de twee was of dat zij Adam verleidde om God ongehoorzaam te zijn. Het eten van het fruit van de boom was een fout van zowel Adam als Eva. Ze dragen dezelfde verantwoordelijkheid. Het was niet de Erfzonde waarover wordt gesproken in Christelijke overleveringen. De nakomelingen van Adam worden niet gestraft voor de zonden van hun voorouders. Het was een fout en God vergaf hen beide vanuit zijn oneindige wijsheid en barmhartigheid.



[1] Al Ashqar, U. (2003). The World of Jinn and Devils. Islamic Creed Series. International Islamic Publishing House: Riyadh.

[2] Sheikh Ibn Al Qayyim in Ighaathat al Lahfaan.

 

Gerelateerd

Delen met