De Doodstraf

16-09-2012 door

Kan het nemen van een leven gerechtvaardigd zijn?

De religie van de Islam bevat een basisset van regels om de rechten en vrijheden van individuen en gemeenschappen te beschermen. Het is een doctrine gebaseerd op respect, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid en gelijkheid. De islamitische concepten van vrijheid en mensenrechten zijn ingebed in en gewaarborgd door de Sharie’ah (islamitische wet). De Islam vestigt een wettelijk kader en belichaamt een ethische code, om de rechten van een individu te beschermen met inbegrip van zijn of haar recht om te leven in een veilige gemeenschap.

De profeet Mohammed (vrede zij met hem) zei: “Wie wakker wordt (in de ochtend) en het gevoel heeft dat hij veilig is in zijn gemeenschap, vrij van kwalen en ziekten in zijn lichaam is, en genoeg provisie voor een dag heeft, het is alsof hij de hele wereld bezit.”[1]

De Sharie’ah houdt zich bezig met het behoud van vijf fundamentele rechten: het recht op religie, de bescherming van het leven, de bescherming van de geest of het intellect, het behoud van eer en familie en de heiligheid van rijkdom en bezit. Het is een morele en ethische basis, waarin individuele rechten worden gehandhaafd, maar waarin het niet is toegestaan ​​om de rechten van de gemeenschap te overschaduwen.

De islamitische wet bevat uitgebreide algemene beginselen en regels die rekening houden met de veranderende omstandigheden van de samenleving en tevens met de standvastigheid en duurzaamheid van de menselijke natuur. Terwijl de Sharie’ah stabiliteit, flexibiliteit en standvastigheid combineert, zijn er onveranderlijke straffen vastgelegd voor bepaalde misdrijven, die niet worden beïnvloed door veranderende omstandigheden. Eén van deze straffen is de doodstraf.

Er zijn slechts twee categorieën van misdrijven waarvoor de doodstraf kan worden toegepast onder de Sharie’ah-wetgeving. De ene is moord en de andere is voor misdaden tegen de gemeenschap (ook wel bekend als scheppen van wanorde). Eén van de basisprincipes van de Islam is dat een samenhangende en veilige gemeenschap absoluut voorop staat. Misdaden die de gemeenschap bedreigen zijn onder andere verraad, afvalligheid (wanneer men de religie van de Islam verlaat en zich er actief tegen verzet), piraterij, verkrachting, overspel, het beoefenen van magie en homoseksuele activiteiten.

“…dat voor wie een ziel doodt – niet (als vergelding) voor een ziel of het verderf zaaien op aarde – het is alsof hij alle mensen doodde en dat voor wie iemand laat leven, het is alsof hij alle mensen deed leven.”[2]

Eén van de meest zware zonden is het bewust nemen van een leven. Toen de profeet Mohammed, vrede zij met hem, werd gevraagd wat de grote zonden waren, zei hij: “Anderen associëren met God, ongehoorzaam zijn aan de ouders, moord en een valse getuigenis afleggen.”[3] God de Verhevene zegt:

“En wie een gelovige opzettelijk doodt, zijn vergelding zal de hel zijn; daarin zal hij eeuwig leven. Allah’s toorn is op hem; Hij heeft hem vervloekt en zal voor hem een grote straf voorbereiden.”[4]

Het is belangrijk om te begrijpen dat er geen plaats is voor ‘eigenrechter’ in de Islam. Een persoon beschuldigd van een misdaad moet correct worden veroordeeld in een islamitische rechtbank voordat een straf kan worden uitgedeeld. In het geval van de doodstraf vereist de zwaarte van de straf dat aan zeer strenge bewijsnormen moet worden voldaan voordat een veroordeling kan plaatsvinden.

Er zijn drie categorieën van straffen in de Sharie’ah. Hadd-straffen, voor misdaden tegen de gemeenschap. Dezen zijn voorgeschreven door God in de Qoer-aan of de authentieke overleveringen van de profeet Mohammad (vrede zij met hem). Zij kunnen niet worden gewijzigd. Deze straffen kunnen alleen worden uitgevoerd door een islamitische heerser of diens plaatsvervanger. Het is niet toegestaan ​​voor individuele moslims om hadd-straffen uit te voeren (die soms de doodstraf inhouden) vanwege de chaos en rampspoed die het zou kunnen veroorzaken in de gemeenschap.

De tweede vorm van straf, in het bijzonder voor moord of zware mishandeling, heet Qisaas. Wanneer een persoon fysiek letsel of overlijden veroorzaakt aan een ander, dan heeft de gewonde of familie van de overledene het recht op vergelding. Een uniek aspect van Qisaas is dat de familie van het slachtoffer de optie heeft om aan te dringen op de straf, een monetaire beloning kan aanvaarden of de dader kan vergeven, wat zelfs de doodstraf zou kunnen afwenden.[5] De Qoer-aan dringt er bij families en slachtoffers op aan om te vergeven en barmhartigheid te tonen, zelfs tijdens bittere omstandigheden:

“En de vergelding voor een slechte daad is dezelfde slechte daad, maar voor wie vergeeft en verzoent: zijn beloning is bij Allah. Voorwaar, Hij houdt niet van de onrechtplegers.[6]

Alle andere misdrijven vallen in de derde categorie, Ta’zier. Dat is een discretionaire straf  bepaald door de rechter.

God zond Zijn boek van leiding neer, de Qoer-aan, en gaf de mensheid de Islam, de laatste boodschap en de voltooiing van alle religies. Hij zond de profeet Mohammed, een man capabel om de mensheid te kunnen leiden naar een nieuw tijdperk van tolerantie, respect en rechtvaardigheid. De woorden van de Qoer-aan en de authentieke overleveringen van de profeet Mohammed (vrede zij met hem) bevatten rechten en plichten die door God aan de mensheid zijn opgedragen. Zij zijn niet onderworpen aan de grillen en wensen van mannen en vrouwen of de veranderende loyaliteit van overheden en instituten.

De islamitische wetten bevatten rechtvaardigheid, barmhartigheid en vergeving. Ze gaan niet gepaard met het onnodig nemen van het menselijk leven. Zo zegt de Qoer-aan:

“Voorzeker, Wij hebben Onze boodschappers met de duidelijke bewijzen gezonden en Wij hebben met hen het Boek en de wetgeving neergezonden, opdat de mens de rechtvaardigheid in acht zou nemen…”[7]

“O gij die gelooft, weest voorstanders der rechtvaardigheid, getuigen voor Allah alleen.”[8]

Zelfs op de zeldzame gelegenheden waarbij de doodstraf wordt gepleit, wordt het uitgevoerd onder menswaardige omstandigheden en bevat de belofte van vergeving en het eeuwige paradijs. De profeet Mohammed (vrede zij met hem) zei: “Zweer trouw aan mij dat jullie niet iets anders dan God zullen aanbidden, niet zullen stelen en geen ontucht zullen plegen.” Vervolgens reciteerde de profeet uit de Qoer-aan en voegde eraan toe: “En wie onder u zijn belofte vervult, zijn beloning is bij God. Een ieder die iets van zulke zonden verricht en de wettelijke straf ontvangt, dat zal worden beschouwd als de boete voor die zonde. Een ieder die iets van zulke zonden verricht en God beschermt hem (door zijn zonde verborgen te houden van de mensen), het is aan God hem te verontschuldigen of hem te straffen.”



[1] At-Tirmidhi.

[2] De Qoer-aan, 5:32.

[3] Al-Boekhaarie en Moeslim.

[4] De Qoer-aan, 4:93.

[5] Punishment in Islam: An Eye For An Eye?” Al-Haramain Online Newsletter, Volume 4, Issue 8, July 2000.

 

[6] De Qoer-aan; 42:40-43.

[7] De Qoer-aan, 57:25.

[8] De Qoer-aan, 4;135.