De Islam en racisme

25-01-2012 door

Racisme is een verderfelijke plaag die gedijt op minachting, arrogantie en haat. Gehele naties werden onderdrukt en vernietigd, enkel vanwege hun armoede, afkomst, huidskleur, religie of nationaliteit. Het is een plaag die tot de dag van vandaag voortduurt in vele delen van de wereld.

De opkomst van de Islam vond plaats in een omgeving waar extreme racisme, vreemdelingenhaat, seksisme, onverdraagzaamheid en elitarisme elk segment van de maatschappij had doordrongen. Toen de boodschapper van Allah als profeet werd gezonden, heerste een type racisme, onder de naam van tribalisme, onder de inwoners van Makkah. De Qoeraysh beschouwden zichzelf in het bijzonder en de Arabieren in het algemeen superieur over alle andere mensen van de wereld. De boodschapper van Allah kwam met de boodschap van God en proclameerde: “geen Arabier is beter dan een niet-Arabier en geen blanke is beter dan een zwarte[1]” en “de meest eerbare onder jullie is degene die Allah het meest vreest.”[2] Hij, vrede en zegeningen zij met hem, maakte bovendien bekend dat “zelf als een Ethiopische zwarte moslim over de moslims heerst, hij gehoorzaamd dient te worden.”[3]

De Islam slaagde in het transformeren van een brute en dogmatische maatschappij in een sterk en mededogend broederschap. De profeet Mohammad, vrede en zegeningen zij met hem, was Gods laatste boodschapper voor de mensheid; zijn boodschap was universeel en had de capaciteit om niet alleen zijn eigen volk te verenigen, maar ook alle andere volkeren ter wereld.

Het allereerste incident van een zelfvoldaan gevoel van superioriteit

De Qoer-aan zinspeelt op de allereerste kwezelachtige rebellie toen de duivel weigerde neer te knielen voor Adam (vrede zij met hem). Hij zei: “Ik ben beter dan hem; U schiep mij uit vuur en hem schiep U uit klei.” Niet alleen weigerde hij voor Adam te knielen, maar hij zwoer bij Allah de Verhevene dat hij Adams nageslacht zal bedriegen door de list van zelfadoratie en hoogmoed.

Gemeenschappelijke ouders

De Qoer-aan verklaart: “O mensheid, Wij hebben jullie geschapen uit een man en een vrouw en Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt, opdat jullie elkaar leren kennen. Voorwaar, de meest edele onder jullie is bij Allah degene die het meest (Allah) vreest. Voorwaar, Allah is van alles op de hoogte, Alwetend.”[4]

De mens is ontstaan uit één man en één vrouw als leden van één grote menselijke familie, zonder enige inherente superioriteit van de een over de ander. De ontwikkeling van de mens in verschillende naties en stammen is bedoeld om de bijzonderheden van individuen door middel van diversiteit te versterken, niet om de superioriteit van de ene mens over de andere vast te stellen. Het enige criterium dat de ene mens beter maakt dan de ander is godsvrucht.

Xenofobie

Eens bezocht een man de profeet Mohammad (vrede en zegeningen zij met hem) in Madinah. Daar zag hij een groep mensen zitten met elkaar discussiërend over hun geloof. Onder hen was Salmaan (die uit Perzië kwam), Soehayb (die opgroeide in het Oost-Romeinse Rijk en als een Griek werd gezien), en Bilaal (die een Afrikaan was). De man reageerde verbijsterd: “Indien de stammen van ‘Aws en Khazradj (van Madinah) Mohammad steunen, (dit is begrijpelijk aangezien zij net als hem Arabieren zijn) zij zijn van zijn volk. Maar wat doen deze (vreemde) mensen hier?” (Wat neerkomt op een afkeer voor buitenlanders) Toen dit aan de profeet werd verteld, werd hij erg boos. Hij ging naar de moskee en riep de mensen op tot het gebed. Vervolgens sprak hij hen aan, zeggende:

“O mensen, weet dat de Heer en Bestuurder Eén is. Jullie voorvader is één; jullie religie is één. Het Arabisme van jullie is niet (op grond van de adel van) jullie moeder of vader. Het is niet meer dan een taal.”

Hij (vrede en zegeningen zij met hem) vervolgde:

“Laat de mensen ophouden met het opscheppen over hun voorouders. Iemand is enkel een vrome gelovige of een ellendige zondaar. Alle mannen zijn zonen (kinderen) van Adam, en Adam kwam (was gecreëerd) uit stof (zand).”[5]

Blinde trouw aan ras en nationaliteit

Om te houden van je eigen ‘soort’ is natuurlijk, maar wanneer deze liefde je leidt naar het steunen van je eigen volk, ras of nationaliteit en ten koste gaat van rechtvaardigheid en onpartijdigheid,  dan is er sprake van fanatisme. De profeet (vrede en zegeningen zij met hem) verwees naar deze soort van blinde patriottisme in de volgende woorden:

“Hij is niet van ons (vanonder de moslims) die pleit voor stamspartijdigheid; hij is niet van ons die vecht omwille van stamspartijdigheid en hij is niet van ons die sterft omwille van stamspartijdigheid.”[6]

Bovendien zijn moslims bevolen in de Qoer-aan:

“O jullie die geloven! Weest standvastig ten aanzien van de gerechtigheid, als getuigen omwille van Allah. Zelfs tegenover jullie zelf of de ouders en de verwanten, of het nu een rijke of een arme is (waartegen getuigd moet worden), want Allah kent hun belangen beter. Volg niet de begeerte om niet rechtvaardig te zijn. En indien jullie verdraaien of je afwenden, dan voorwaar: Allah weet wat jullie doen.”[7]

Racisme

De profeet Mohammad (vrede en zegeningen zij met hem) roeide het probleem van raciale discriminatie zo uiterst succesvol uit dat ‘Oemar, een van de metgezellen, tegen Bilaal, een ander metgezel van Ethiopisch afkomst, zei: “Bilaal is onze meester en was bevrijd[8] door onze meester Aboe Bakr.”[9]

Zayd bin Haarithah was een zwarte slaaf. De boodschapper van Allah kocht hem vrij en adopteerde hem als zoon.  Hij huwde hem met Zaynab bint Djahsh die van nobel afkomst was. Na al deze eerbetuigingen, stelde de profeet hem aan als commandant over het moslimleger dat hij zond tegen het Byzantijnse Rijk, waaronder leidende figuren van onder de metgezellen als Aboe Bakr, ‘Oemar en anderen zich bevonden. De profeet Mohammad (vrede en zegeningen zij met hem) stelde Zayds zoon, Oesamah, aan om het leger te leiden dat hij vlak voor zijn overlijden had gevormd.

Tijdens zijn kalifaat betaalde ‘Oemar een hogere salaris aan Oesamah dan aan zijn eigen zoon, ‘Abdoellah. Toen ‘Abdoellah hem vroeg om de reden, antwoordde ‘Oemar: “Mijn zoon, dit doe ik omdat ik heel goed weet dat de boodschapper van Allah meer van Oesmamahs vader hield dan van jouw vader en meer van Oesamah dan van jou.”[10]

Zayd bin Haarithah leidde een leger waarin personen van de meest nobele afkomst zich bevonden, zoals Dja’far bin ‘Abdoellah (de neef van de boodschapper van Allah) en Khaalid bin Walied, de onoverwinnelijke generaal van zijn tijd. Dit vestigde in de harten en geesten dat superioriteit niet afhangt van ras, etniciteit of huidskleur, maar van godsvrucht en rechtschapenheid.

Conclusie

Elke religie naast de Islam roept op de een of andere manier op tot de aanbidding van de creatie. Bovendien spelen ras en huidskleur een centrale en verdeeldheid zaaiende rol in bijna alle niet-islamitische overtuigingen. De christelijke vergoddelijking van Jezus (vrede zij met hem) of de Boeddhistische vergoddelijking van Boeddha en de Dalai Lama’s heeft ertoe geleid dat schepselen van een bepaalde afkomst en huidskleur worden aanbeden. In het jodendom is verlossing niet mogelijk voor de niet-joodse gentile. Het kastenstelsel van het hindoeïsme beperkt de politieke en economische aspiraties van de ‘onzuivere’ lagere klasse. De Islam heeft echter de capaciteit om alle mensen van de wereld te verenigen op de Eenheid en Uniciteit van hun Schepper, Die hen meedeelt:

“En tot Zijn Tekenen behoort de schepping van de hemelen en de aarde en het verschillende van jullie talen en kleuren. Voorwaar, daarin zijn zeker Tekenen voor een volk dat luistert.”[11]



[1] Imam Hanbal, 5.441.

[2] De Qoer-aan, 49:13.

[3] Overgeleverd door Moesliem.

[4] De Qoer-aan, 49:13.

[5] Overgeleverd door Aboo Dawoed en at-Tirmidhie.

[6] Overgeleverd door Aboe Dawoed.

[7] De Qoer-aan, 4:135.

[8] Bilaal kwam uit Ethiopië en was de slaaf van een polytheist in Makkah. Na zijn omarming van de Islam werd hij door zijn meester genadeloos gemarteld. De metgezel Aboe Bakr kocht hem vrij van zijn meester, waardoor hij een vrije moslim werd.

[9] I. Hajar, al-Isaba, 1.165.

[10] Ibn Sa‘d, 4 :70; Ibn Hajar, 1 :564.

[11] De Qoer-aan, 30:22.

Gerelateerd

Delen met